Dunne plaatsen

Johan Klein Haneveld

14 Mar 2019

'Ik weet het niet, hoor.' Ik stond met mijn hoofd in mijn nek onderaan de oude muur. Verweerde roodbruine stenen, zo dicht op elkaar gemetseld dat er geen cement tussen zichtbaar was, vulden de ruimte tussen twee percelen. Op die links van me stond een middeleeuws klooster. Een met planken dichtgetimmerde klokkentoren stak boven de wal uit. Op het kunststof bordje naast de poort had ik gelezen dat er nu een computerbedrijf huisde. Het andere gebouw was een herenhuis met een trapgevel. Door de hoge ramen waren witte plafonds te onderscheiden geweest, versierd met geometrische patronen en gipsen druivenranken. Of het pand bewoond werd of als kantoor fungeerde, had ik zo snel niet kunnen zien.

Beide, huis en klooster, stamden uit een latere periode dan de muur in kwestie. Ze waren opgebouwd uit donkere stenen met lichtere naden en toonden bescheiden kringen oranje en bleekgroen korstmos, net als de wand aan de andere kant van de steeg, waar ik nu bijna met mijn haren langs streek. De muur vertoonde daarentegen liggende breuken, alsof hij meerdere malen bijna verzakt was. Ergroeiden varens in en pollen met kleine gele bloempjes. De mosvlekken hadden zich op sommige plekken zo uitgebreid dat de randen ervan in elkaar overliepen, als een deels verwijderd Romeins mozaïek. Bovenaan zag ik tenslotte afgetekend tegen de donkergrijze hemel geen glasscherven, zoals bij andere gemetselde muren in de binnenstad, maar aardewerken punten, stukken kom en vaas, met eraan op één plek zelfs nog een handvat.

Een vonkje pijn. Verstoord liet ik mijn blik weer zakken. Ik hield een zwart haartje, bijna zo stevig als ijzerdraad, tussen mijn duim en wijsvinger. Zoals vaker wanneer ik ergens over piekerde, was ik aan mijn baardje gaan peuteren. Nog even en ik zou weer een kale plek hebben, precies in het midden ervan, en mijn vrouw zou erop staan dat ik hem af zou scheren, want: 'Dit is toch geen gezicht, zo?'

'Wat weet je niet?', vroeg mijn metgezel. Marcus Zomers had zich naar mij toegedraaid. Zijn houding had iets confronterends: licht voorovergebogen, de handen tot vuisten gebald, de spieren in zijn nek tot trillende kabels gespannen. In zijn ogen brandde een fel licht van opwinding en ik begreep dat ik het niet moest wagen nog iets tegen zijn plannen in te brengen. Ik was echter niet langer de verlegen jongen van de middelbare school, die zijn tijd doorbracht in de bibliotheek en anders zijn ogen strak op de grond gericht hield. Ik was toen blij geweest dat iemand me zijn aandacht gunde, me mee op sleeptouw nam, zelfs al was het slechts om een welwillend publiek te hebben. De afgelopen vijftien jaar had ik mijn studie cum laude afgerond, promotie gemaakt op mijn werk, een lieve vrouw gevonden en een rijtjeshuis met een tuin zowel voor als achter. Ik had geen reden meer om andere mensen niet aan te durven kijken. Marcus leek echter in al die tijd geen spat te zijn veranderd.

Ik zuchtte. 'Die muur is best hoog. En ik heb geen zin mijn kleren aan die schervenopen te scheuren.' Ik tilde mijn arm op. De stof van mijn jasje was dun, maar had een luxe glans. 'Ik dacht niet echt aan avontuur toen ik vanochtend de deur uitging.'

Marcus' wenkbrauwen gingen omhoog. 'Wat had je dan verwacht?'

'Ik weet het niet. Gewoon een latte in de koffietent, herinneringen ophalen en na een uurtje weer elk ons weegs gaan.'

Hij leek beledigd. 'Dacht je dat ik na zo lang contact met je op zou nemen als het niet om iets heel belangrijks ging?'

Hij had zoiets wel gezegd over de telefoon en ik had me zijn grootspraak van vroeger herinnerd, zijn grote verhalen. Toch had ik toegezegd. Ik meende dat zelfs hij ondertussen zijn wilde haren wel zou zijn kwijtgeraakt. Dat ik nu dus niet zou worden meegesleept in een of ander onwaarschijnlijk avontuur. Maar nee, het bleek al snel dat ik mijn oude rol weer moest innemen om getuige te zijn van zijn ondernemingen.


Toen ik zo-even de koffiezaak binnenstapte, had ik Marcus meteen herkend. Hij was nauwelijks veranderd. Lang, mager, piekerig haar, maar nu met inhammen boven zijn slapen. Zijn neus leek groter, scherper dan ik me herinnerde en zijn knokige polsen staken uit de duidelijk te korte mouwen van zijn fleece trui. De kans om hem te vragen hoe het er met hem voorstond of hoe het was op zijn werk, kreeg ik niet. Nauwelijks had ik me laten zakken in de met leer beklede fauteuil tegenover hem -er zaten gerafelde gaten in de leuningen- met mijn koffie op het kleine, zwarte tafeltje of hij reikte al naar zijn wat slonzig ogende rugtas. In één vloeiende beweging haalde hij zijn laptop en een kartonnen dossiermap tevoorschijn. 'Hier', zei hij terwijl hij zijn computer naar me omdraaide. 'Jij woont hier al bijna tien jaar. Dan moet je dit plekje wel herkennen, toch?'

Ik had alleen met een snelle reflex kunnen voorkomen dat mijn koffie omging, maar een paar hete druppels waren op de rug van mijn hand gespat. Ik had de neiging tegen hem te snauwen, vooral omdat ik niet direct doorhad wat hij hij me liet zien.

Marcus zag mijn ergernis. Hij draaide zich half over zijn laptop heen, fronste en drukte een toets in. De afbeelding op het scherm bleek een luchtfoto. Nu was die gelukkig wat verder ingezoomd. Ik zag een spoorbaan, straten, grachten en het marktplein. Het was inderdaad de stad waar ik woonde, ergens aan de andere kant van het spoor. Maar wat er zo bijzonder aan was?

'Hier', zei Marcus, 'Kijk hier!' Hij porde met zijn vinger zodat er op het scherm een kring verscheen. Ik huiverde bij het zien van die aanslag op zijn apparatuur. Er zaten krassen op en vetvlekjes en een grijze cirkel rechts onderin zonder beeld. En op de plek die hij aanwees zag ik een groen vierkantje. Het was donkerder dan andere parken of tuinen, maar verder was er niks bijzonders aan. Ik zag dat er een steeg direct naast liep. Het kostte me wat tijd om me mentaal voor te stellen hoe ik de stad inliep in het weekend, maar volgens mij was het vaak via die route, langs een oude kloostermuur. Ik had er een keer stilgestaan om met mijn telefoon een foto van een leerachtig varenblad te maken. Verder was er niets opvallends aan die plek.

'Zie je het?', vroeg Marcus, met een gretige klank in zijn stem.

Ik pakte mijn koffie en liet me in mijn stoel achterover zakken. Het oude leer kraakte. 'Een tuin', antwoordde ik en nam een slok. Dat had ik nodig gehad!

'Geen tuin', zei Marcus. Hij legde zijn hand op de kartonnen map. 'Ik heb het nagezocht in de archieven. Het klooster heeft daar nooit een poort of een deur gehad. De muur aan de achterzijde is zelfs dikker dan de drie andere. En dat andere huis heeft volgens de documenten geen tuin. Er is zelfs geen raam lager dan twee verdiepingen dat over dat terrein uitkijkt. Er is geen enkele manier om er te komen.'

Ik kon me niet herinneren in de steeg een deur te hebben gezien, zelfs geen dichtgemetselde. Ik knikte aarzelend. 'Maar het moet van iemand zijn, dat kan niet anders. Misschien van de gemeente zelf?'

Hij lachte. Ik herkende de toon. Hij wist nu dat hij zijn gehoor in zijn greep had, dat ik tot het einde van zijn verhaal aan zijn lippen zou hangen, of ik het nou geloofde of niet. Dus zo voorspelbaar was het patroon tussen ons nog steeds. 'Het is niet van de gemeente. Ik kon nergens een eigendomsakte vinden. Het hoort nergens bij. Een stukje land opgesloten tussen muren.'

'Dat lijkt me onwaarschijnlijk', zei ik, vooral om niet al te goedgelovig over te komen. 'Weet je wel hoe duur de grond in de stad is? Als het echt van niemand was, stond er al lang een dure woning. Of een kantoor. Een architectonisch monster.'

Marcus haalde zijn schouders op. 'Ik ben niks tegengekomen, zoals ik zei. Wel een paar opmerkingen in het gemeentearchief. Ze waren interessant, hier'-hij trok drie witte velletjes uit zijn map. Op een was iets nagetekend, met sidderende lijnen, op de andere twee stond een tekst gekopieerd- 'de eerste melding is uit 1200, vlak voor de oprichting van de grote kerk. In deze buurt was toen nog geen stenen bebouwing. Er zouden hier mensen zijn verdwenen. Zondaars.'

'Wat waren het? Witte wieven? Dwaallichtjes?'

Ik deed mijn best met nog meer legenden te komen, maar kon niks meer verzinnen. Ondertussen reikte Marcus me de kopietjes aan. Oude krantenberichten. Een uit het eind van de negentiende eeuw, dat meldde hoe twee oude vrouwen, beide ongehuwd, bewusteloos waren aangetroffen vlak bij het klooster. Een verklaring werd niet gegeven, maar wel speculeerde de journalist van dienst naar hartelust over hun mogelijke samenlevingsvorm en of die wel gepast was. Het andere was een verslag van een wichelroededemonstratie uit de jaren zestig, waarbij de zelfbenoemde expert zei dat hij in de steeg een bijzondere zuiging had waargenomen en zijn instrument nauwelijks had kunnen vasthouden.

'Die mensen verzinnen gewoon maar wat', zei ik hoofdschuddend. Ik realiseerde me dat ik nog koffie had en nam weer een flinke slok. De drank was helaas een flink stuk afgekoeld.

'Je was altijd al sceptisch', zei Marcus, duidelijk niet onder de indruk. 'Je weet dat duiven het magnetisch veld van de Aarde kunnen waarnemen, waarom zouden er geen mensen kunnen zijn die gevoelig zijn voor' -hij fronste, zocht even naar een woord- 'zwaartekracht?'

'Is dat wat het is?'

Hij knikte. 'Zoiets' Hij raakte het grijze vlak op zijn toetsenbord van zijn laptop aan en het scherm kreeg weer kleur. Hij sloot de luchtfoto af en er verscheen een ander plaatje. Bijna helemaal zwart met een aantal donkerblauwe en diep paarse vlekken. En één gele punt. 'Opnames van de lokale zwaartekracht', legde Marcus uit. 'Voor bodemonderzoek of zo. Daar gaat het me niet om. Maar die stip, daar is de zwaartekracht twee keer zo hoog als normaal.'

'Een anomalie', zei ik direct. 'Een meetfout. De zwaartekracht kan niet zomaar verdubbelen.'

'Op andere metingen is inderdaad niets te zien', reageerde Marcus. 'Ik zou er gewoonlijk dus niets achter zoeken. Maar weet je wat zo bijzonder is? Die gele punt bevond zich precies op de plek die ik je had aangewezen, het afgesloten hof.'

Ook al bleef ik sceptisch, ik voelde toch iets als een huivering precies tussen mijn schouderbladen. Nu stonden in de koffiezaak wel eens de ramen open, ook in de herfst, maar dit was geen tochtvlaag. 'Waar …' Mijn stem sloeg over. 'Waarom vertel je me dit allemaal?'

Marcus grijnsde alsof hij bij de clou van een mop was aangekomen. 'Ik ga er vandaag een kijkje nemen.' Hij propte zijn spullen terug in zijn tas. 'En ik dacht dat jij wel met me mee zou willen. Het dappere tweetal, je weet wel.'

Ik knikte, meer om de verwijzing naar onze verbeeldingsvolle middagen in de bosjes achter het industrieterrein, maar hij interpreteerde het als instemming met zijn plan. Hij rees op, pakte me vast bij mijn arm, zijn vingers als een klauw en trok me uit mijn stoel omhoog. Pas toen ik achter hem aan naar buiten was gelopen en mijn gezicht vertrok vanwege de kleine, koude regendruppels, besefte ik dat ik de helft van mijn latte onopgedronken had achtergelaten. Daar was echter niets meer aan te doen.

Het was van de koffiezaak niet ver naar de steeg. Toch had ik mijn armen demonstratief om mezelf heen geslagen. Bovenop de brug, uitkijkend over het rimpelende oppervlak van de bruine gracht, bleef Marcus staan. Hij legde zijn hand op mijn arm, zodat ik me naar hem omdraaide. 'Volgens mij snap je nog steeds niet hoe belangrijk deze plek kan zijn. Je weet dat de Kelten spraken over dunne plaatsen?'

Ik knikte. Hij ging door alsof hij niks gezien had. 'Oorden waar de afstand tussen onze wereld en de geestenwereld minder groot is en mensen in contact kunnen treden met het bovennatuurlijke. En ze waren lang niet de enige. Ook de Amerikaanse stammen hadden het over speciale locaties waar de goden zouden spreken. En de Aboriginals …'

'Je vond een stukje land achter een muur, zag een vaag plaatje van zwaartekrachtmetingen en nu is het opeens iets mythologisch?' Ik schudde zijn hand van me af. 'Je bent de grip op de werkelijkheid kwijt.'

'Ik zeg niet dat het zo is', zei hij zacht, iets kwetsbaars in zijn anders zo felle ogen. 'Maar dit kleine stukje land is al sinds de vroege middeleeuwen niet veranderd. Het zou toch gaaf zijn als we iets vonden? Misschien ligt er wel een oude munt of zo. Heb je dan soms geen greintje verbeelding meer?'

Ik zuchtte en wuifde dat hij door moest lopen. Even over de muur kijken kon geen kwaad, als ik mijn oude vriend daar een plezier mee kon doen. Als ik hem zijn zin had gegeven, wilde hij misschien later alsnog voor een koffie gaan, of een biertje, en kreeg ik ook de middag waarop ik had gehoopt. Zo dacht ik in elk geval tot ik in de donkere steeg stond en me realiseerde dat de muur hoger was dan ik me herinnerde en de scherven bovenaan scherper. Ik deed een stap naar achteren.

'Dan ga ik wel alleen', zei Marcus. Hij rolde met zijn schouders, terwijl hij schattend omhoog keek. Vervolgens haakte hij zijn vingers in elkaar en deed zijn knokkels kraken.

'Hoe wil je over die punten komen?'

Hij antwoordde niet. In plaats daarvan trok hij zijn trui over zijn hoofd. Gelukkig had hij daaronder een shirt met lange mouwen aan. Marcus gaf geen teken iets van de kou of de miezerregen te merken, maar sloeg het kledingstuk over zijn schouder en sprong tegen de muur op. Zijn vingers grepen een uitstekende richel, de punt van zijn rechter schoen stak hij in een scheur, en zo was hij al bijna boven. Toen hij zich optrok, pakte hij zijn trui en drapeerde die over de aardewerken scherven. Ik hoopte voor hem dat het genoeg zou zijn. Marcus sloeg zijn been er overheen, zodat hij schrijlings op de muur zat. Kennelijk precies tussen twee punten in. Ik haalde opgelucht adem. Hij keek niet naar mij, maar staarde naar beneden aan de andere kant. Zijn houding was stijf, zijn schouders opgetrokken. Ik hoopte dat het niet een te grote teleurstelling voor hem zou zijn. 'En', riep ik, harder dan eigenlijk noodzakelijk. 'Is het wat?'

Marcus bewoog zich niet en zijn antwoord was moeilijk te verstaan. De eerste woorden werden overstemd door een windvlaag. '… Bierblikjes', hoorde ik. 'Zelfs geen sigarettenpeuk of krantenpapier. Alleen wat mos.'

Ik fronste. Dit was een studentenstad. Het kon niet zo zijn dat er nooit iemand iets over die muur had gegooid. Ik kreeg geen kans er iets over te zeggen, want Marcus slingerde nu ook zijn tweede been over de muur. 'Ik moet het van wat dichterbij bekijken.'

Later wilde ik dat ik hem toen had tegengehouden. Maar wat had ik kunnen beginnen? Voor ik een weerwoord klaar had, duwde hij zich al wat omhoog op zijn handen en verdween uit het zicht. Ik hoorde een gedempte plof. Ook al wist ik dat er niets aan de hand kon wezen, toch trok mijn keel zich samen. Ik wilde nu dat ik wel tot bovenop de muur was geklommen, zodat ik mijn vriend in elk geval in het oog had gehouden.

Marcus was kennelijk naar het midden van het veldje gelopen, want zijn stem leek van wat verder weg te komen. 'Het ziet eruit alsof het er al eeuwen groeit. En niets anders. Het is wat beschaduwd hier, maar toch …'

Ik zette mijn handen aan mijn mond. 'Zie je nog munten? Iets uit de middeleeuwen?'

'Niets', klonk het antwoord, enigszins teleurgesteld. En toen, vol verwondering: 'Hee, wat is dit?'

Ik zou echter nooit ontdekken wat Marcus' aandacht had getrokken, want opeens voelde ik me duizelig. Van het ene op het andere moment stond ik te wankelen op mijn voeten, alsof elk ogenblik mijn enkels konden zwikken. Mijn evenwichtsorgaan deed me bovendien geloven dat de straat niet recht was, maar onder een hoek was aangelegd. Ik kon alleen maar voorkomen dat ik viel, door met twee handen tegen de muur te leunen. Het voelde alsof die zich nu onder mij bevond en ik op de verweerde en bemoste stenen neer keek. Ik hijgde en een steeds strakkere klem snoerde mijn slokdarm in. Ik ging elk moment overgeven, zo leek het. Ik had me eigenlijk alleen eerder zo gevoeld op de veerboot naar Engeland, toen ik vergeten was mijn pilletjes te nemen. Ondertussen hoorde ik uit de verte Marcus roepen. 'Dat is raar! Het lijkt opeens alsof ik in een kuil sta! Ik kom terug!'

Een paar seconden stilte, dan: 'De helling wordt steeds steiler! Ik probeer bij de muur te komen.'

Weer even niks. Ook al voelde ik me zelf ook behoorlijk beroerd, ik hield voor hem mijn adem in. In zijn volgende woorden klonk duidelijk angst door. 'Ik blijf nauwelijks overeind. Ik kan de muur niet eens meer zien! Het is zo glad!'

Ik blies mijn adem uit. Van de andere kant van de stenen klonk het panisch: 'Ik zie de bodem niet meer! Een put! Het mos is bijna kaarsrecht! Ik …' Er volgde een schreeuw die door merg en been ging, maar ook snel weer uitdoofde. Er waren zelfs geen echo's.

Op hetzelfde moment was mijn duizeligheid voorbij. Mijn evenwichtsgevoel herstelde zich en ik had opnieuw de betrouwbare straatstenen onder mijn voeten. Zweet prikte op mijn voorhoofd. Ik veegde het weg met de mouw van mijn jasje. Toen pas realiseerde ik me dat ik helemaal niks hoorde. Ja, er reed aan de kant van het grote huis een auto voorbij langs de gracht en ergens vochten meeuwen om een frietje, maar er kwam geen enkel geluid van achter de muur.

Ik wachtte even. Misschien speelde Marcus weer eens een spelletje met me, probeerde hij misbruik te maken van mijn goedgelovigheid. Er gebeurde niks, ik hoorde zelfs niet het kraken van een kiezelsteentje. Ik kreeg er schoon genoeg van. 'Marcus!', zei ik luid. 'Laten we weer teruggaan voor koffie.'

Geen antwoord. Ik riep nog een keer zijn naam, luider nu. 'Ik ga anders wel alleen!'

Ik sprong van mijn ene voet op de andere. Toen het stil bleef, riep ik zo hard ik kon: 'Marcus! Geef antwoord!'

Een fietser keek half verbaasd, half geërgerd naar mij opzij en verdween vervolgens uit het zicht. Ik zuchtte. Daar ging mijn nette jasje. Ik strekte mijn armen, stak mijn vingers in een scheur tussen de stenen en hees mezelf omhoog. Mijn voet tastte langs de muur en het duurde even voor ik een uitsteeksel vond om op te steunen. Zweet begon opnieuw over mijn voorhoofd te stromen.

Ik was duidelijk niet zo lenig als Marcus, maar ik bereikte wel de bovenrand. Gelukkig lag zijn trui nog op de scherven. Ik trok me zover op dat ik er met mijn bovenlichaam op kon leunen. Ik knipperde nog even met mijn ogen maar door het waas van transpiratie had ik al genoeg gezien. Tussen hoge stenen muren, zonder deur of raam, lag een stukje vlakke grond. Het zag ononderbroken donkergroen van het mos. Er was geen plek waar Marcus zich kon verbergen. Ik zag zelfs geen voetafdrukken op de vochtige ondergrond. Hij leek van de aardbodem te zijn verdwenen. Ik riep hem nog een keer, maar het was een halfslachtige poging. Ik verwachtte namelijk al geen antwoord meer. Mijn hart bonsde van onzekerheid. Verward liet ik me zakken aan mijn kant van de afscheiding en met slepende passen liep ik terug naar de gracht. Mijn gevoel paste perfect bij het weer. De enige verklaring die ik kon verzinnen, was dat het een grap van hem was. Een die ik al lang niet meer leuk vond.

Ik liep terug naar de koffiezaak, maar daar was hij ook niet. Hij kwam het volgende uur ook niet opdagen. Toen ik na een week nog niks van Marcus gehoord had, mailde ik onze wederzijdse vrienden van vroeger. Zij bleken ook geen contact met hem te kunnen krijgen. Niemand wist waar hij zich bevond. Iemand meldde zijn vermissing bij de politie, maar voor zover ik weet heeft daar nooit iemand op gereageerd.

Ondertussen zijn er jaren voorbijgegaan. Ik loop nog altijd door de bewuste steeg op weg naar de binnenstad, maar met grote passen en mijn blik strak naar voren. Niemand zal me ooit zo ver kunnen krijgen nog een keer over de muur te kijken.


Sinds mijn debuutroman ‘Neptunus’ in 2001 verschenen van mij nog tien boeken, waarvan drie in het afgelopen jaar: de verhalenbundel ‘Het teken in de lucht’, de novelle ‘Acmala’ en de SF-roman ‘De afvallige ster’. Verder schreef ik onder andere het tweeluik ‘De krakenvorst, boek 1: Keruga’ en ‘boek 2: Kartaalmon’. Mijn korte verhalen verschijnen in diverse tijdschriften en bundels, zoals ‘Lovecraft in de polder’. Ik ben recensent voor het kwartaalblad ‘Fantastische Vertellingen’ en schrijf elke maand een essay voor Fantasy-schrijven.nl. Mijn geld verdien ik als eindredacteur bij het ‘Tijdschrift voor Diergeneeskunde’ en ik probeer daarnaast samen met mijn vrouw tijd te vinden voor films, musea en dierentuinen. Informatie over mijn reeds verschenen boeken en korte verhalen vind je hier. Meer weten over wat er van mijn hand nog gaat komen? Kijk dan hier.

Tekst: Johan Klein Haneveld

Afbeelding: Pam Hage